1. Home
  2.   MIRT 2011
  3.   Ontwikkeling MIRT
  4. Onderdelen MIRT

Onderdelen MIRT

Het MIRT kent op dit moment vijf onderdelen die tezamen waarborgen dat het doel van het MIRT gerealiseerd wordt. Dit zijn de bestuurlijke overleggen tussen rijk en regio in het voor- en najaar, de in gezamenlijk overleg tussen rijk en regio opgestelde gebiedsagenda’s, het in 2009 geïntroduceerde MIRT Onderzoek, de ‘Spelregels van het MIRT’ en het MIRT Projectenboek, dat nu voor u ligt.

Bestuurlijke overleggen MIRT

Het MIRT gaat uit van intensieve samenwerking tussen rijk en decentrale overheden. Om dit te faciliteren is er het bestuurlijk overleg MIRT waarin elk half jaar rijksinvesteringen en regionale investeringen op elkaar worden afgestemd.

In het najaarsoverleg ligt het accent op de bespreking van het lopende rijksinvesteringsprogramma. Aan de hand hiervan worden nadere (financiële) afspraken gemaakt en, waar nodig, bestuurlijke afspraken gemaakt. Tijdens het voorjaarsoverleg gaat het vooral om het bespreken van de voortgang van de eerder gemaakte afspraken en het agenderen van onderwerpen voor het najaarsoverleg.

Om besluitvorming over infrastructuur en ruimtelijke ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen, zitten niet alleen decentrale bestuurders met verkeer en vervoer in hun portefeuille aan tafel, maar ook bestuurders met andere ruimtelijke portefeuilles. De resultaten van de bestuurlijke overleggen MIRT worden per brief aan de Tweede Kamer gemeld en besproken.

Gebiedsagenda’s

De gebiedsagenda’s vormen de basis voor het bespreken van onderwerpen in de bestuurlijke overleggen MIRT en het maken van concrete (financiële) afspraken daarover in de komende jaren. De gebiedsagenda’s zijn door rijk en regio gezamenlijk opgesteld, en bevatten dan ook door rijk en regio gedeelde visies en opgaven. Een gebiedsagenda bestaat grosso modo uit twee delen. Deel één beschrijft de visie en ontwikkelrichting van de betreffende regio, inclusief daaruit voortvloeiende majeure opgaven. Het tweede deel betreft de uitwerking van deze opgaven: welke mogelijke programma’s en projecten kunnen nu of in de toekomst bijdragen aan het invullen van de opgaven? De gebiedsagenda’s zelf zijn geen besluit om programma’s of projecten tot uitvoering te brengen.
De gebiedsagenda heeft een dynamisch karakter. Het eerste deel wordt vastgesteld en blijft voor langere tijd staan. Het tweede deel met de programmatische uitwerking daarentegen zal regelmatig moeten worden geactualiseerd. Aanscherping en aanvulling is permanent noodzakelijk om de gebiedsagenda een blijvende functie in het besluitvormingsproces te geven.

Tijdens de bestuurlijke overleggen MIRT in het najaar van 2009 is de eerste generatie gebiedsagenda’s vastgesteld. Het gaat in totaal om acht gebiedsagenda’s: Noordwest-Nederland, Utrecht, Zuidvleugel, Zuidwestelijke Delta, Brabant, Limburg, Oost-Nederland en Noord-Nederland. Als aanvulling op de gebiedsagenda’s voor Noordwest-Nederland, Zuidvleugel en Utrecht is een overkoepelende inleiding over de Randstad gemaakt. Daarin worden de samenhangende opgaven in de Randstad beschreven. De Structuurvisie Randstad 2040 is daarvoor het uitgangspunt.

MIRT Onderzoek

Een MIRT Onderzoek heeft betrekking op opgaven en/of ontwikkelingen die spelen in het ruimtelijk domein en van rijksbelang zijn of mogelijk rijksbetrokkenheid vereisen. Er worden twee typen MIRT Onderzoeken onderscheiden. Het eerste type onderzoek is gericht op ruimtelijke opgaven en/of ontwikkelrichtingen op de middellange of lange termijn die mogelijk rijksbetrokkenheid vereisen. Het andere type onderzoek heeft betrekking op het concretiseren en uitvoeringsgereed maken van reeds lopende gebiedsontwikkelingsprojecten. Voor beide typen MIRT Onderzoek geldt dat de uitkomst leidt tot een aanscherping van de gebiedsagenda ten aanzien van de betreffende opgave of ontwikkelrichting. Ook kan de uitkomst aanleiding zijn om (bestuurlijke) afspraken tussen de verschillende betrokken partijen te maken met betrekking tot het vervolgproces, een ruimtelijke reservering of een aanpassing van sectorale wet- en regelgeving en normering (zie kader). Rijk dan wel rijk en regio gezamenlijk beslissen of een MIRT Onderzoek nodig is. De afspraak om een MIRT Onderzoek te starten wordt gemaakt in het bestuurlijk overleg MIRT dan wel het Nationaal Bestuurlijk Overleg Deltaprogramma.

Spelregels van het MIRT

Het doel van de Spelregels van het MIRT, het zogenoemde MIRT Spelregelkader, is om het proces te schetsen dat een MIRT project/ programma doorloopt, zodat de interne procesgang van de besluitvorming bij het rijk voor een ieder navolgbaar is. Daartoe bevatten de spelregels een beschrijving van de (inhoudelijke en financiële) vereisten en de noodzakelijke (bestuurlijke) afstemming die voorafgaand aan ieder beslismoment moet plaatsvinden tussen de departementen, decentrale overheden en/of andere betrokkenen.

De Spelregels van het MIRT zijn sinds 1 januari 2009 van toepassing op nieuw te starten MIRT projecten/programma’s in het ruimtelijk domein. Dit geldt voor projecten/programma’s van VROM en VenW voor het hele proces (verkenning, planuitwerking en realisatie). Tijdens de gebiedsgerichte verkenning worden ook de domeinen van EZ en LNV meegenomen.

Er worden drie fasen onderscheiden, te weten: verkenningsfase, planuitwerkingsfase en realisatiefase. Bij het doorlopen van deze drie fasen zijn er per project vijf beslismomenten te onderscheiden, te weten startbeslissing, voorkeursbeslissing, projectbeslissing, uitvoeringsbeslissing en opleveringsbeslissing. De spelregels werken daarbij als een zeef. Er is, uitgezonderd de opleveringsbeslissing, geen automatische doorstroming van een project van de ene naar de volgende fase. Per fase wordt een expliciete beslissing genomen over het wel of niet (blijven) opnemen van het project in het MIRT. Hoe verder het project in de procedure komt, hoe concreter het project is. Vanaf de planuitwerkingsfase kan integrale gebiedsverkenning worden geknipt in verschillende (deel) projecten. Een gezamenlijke uitvoeringsstrategie moet er dan voor zorgen dat de samenhang op gebiedsniveau bewaakt wordt.

MIRT Projectenboek

Het MIRT Projectenboek wordt jaarlijks als bijstuk bij de begroting van het Infrastructuurfonds uitgebracht en aangeboden aan de Tweede Kamer. Met het boek wordt inzicht gegeven in de achtergrond van ruimtelijke rijksprojecten en -programma’s, de stand van zaken en de planning. Hierdoor is het bruikbaar als naslagwerk voor de voortgang van deze projecten en programma’s. In het MIRT Projectenboek worden investeringsprojecten- en programma’s opgenomen waar sprake is van een ruimtelijke ingreep en waar het rijk direct financieel bij betrokken is. Dit kan (gedeeltelijke) financiering en aanleg betreffen, maar ook subsidiëring van projecten van decentrale overheden.

Hooibalen

MIRT Onderzoek

In 2009 is het begrip MIRT Onderzoek geïntroduceerd. Er worden twee typen MIRT Onderzoek onderscheiden.
Een MIRT Onderzoek kan betrekking hebben op ruimtelijke opgaven/ontwikkelrichtingen op de middellange of lange termijn die mogelijk rijksbetrokkenheid vereisen. De thematische/gebiedsgerichte opgave of ontwikkelrichting is nog onvoldoende afgebakend in één van de acht gebiedsagenda’s of in het Deltaprogramma (in het geval van waterveiligheid en zoetwatervoorziening). Het doel van een MIRT Onderzoek in dit kader is om de opgave of ontwikkelrichting nader te concretiseren qua inhoudelijke scope, geografische omvang, tijd en/of doel.

Daarnaast kan een MIRT Onderzoek betrekking hebben op reeds lopende gebiedsontwikkelingsprojecten. Deze projecten zijn benoemd in één van de acht gebiedsagenda’s. Het doel van een MIRT Onderzoek in dit kader is het zodanig concretiseren en uitvoeringsgereed maken van de betreffende gebiedsontwikkeling dat er bestuurlijke vervolgafspraken kunnen worden gemaakt over de verdere uitvoering. Het gaat hierbij onder andere om de vraag hoe de verstedelijkingsambitie op korte termijn (financieel) uitvoerbaar kan worden gemaakt door bijvoorbeeld het op een andere wijze inzetten van hiervoor gealloceerde budgetten. Tevens kan worden gekeken welke mogelijkheden de huidige wet- en regelgeving biedt.

Belangrijk is dat de uitkomst van een MIRT Onderzoek, in tegenstelling tot een MIRT Verkenning, niet leidt tot een besluit over een mogelijke rijksinvestering. Een MIRT Onderzoek is dus géén eerste stap op weg naar een beslissing over een mogelijke rijksinvestering. Een MIRT Onderzoek en een MIRT Verkenning hebben elk een eigen doel en opzet. De uitkomst van een MIRT Onderzoek kan, via de aanscherping van de gebiedsagenda én na besluitvorming in een bestuurlijk overleg, aanleiding zijn om voor een bepaald onderdeel een MIRT Verkenning te starten.
Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor opgaven uit het Deltaprogramma.

MIRT Projectenboek 2011

Hoofdmenu

Servicemenu